Er moeten duidelijk vastgestelde niveaus komen die aangeven waar leerlingen in bepaalde groepen met rekenen en taal moeten zijn. Leraren en schoolleiders houden zo de vorderingen van hun leerlingen beter bij, zetten die af tegen deze referentieniveaus, en kunnen zonodig bijsturen.
De laatste jaren groeit het besef dat de aandacht voor reken- en taalonderwijs in primair en secundair onderwijs enigszins is ondergesneeuwd. Circa een kwart van de leerlingen verlaat de basisschool met het leesniveau dat al twee jaar eerder gehaald zou moeten zijn. Om scholen hiertoe in staat te stellen is het in elk geval nodig dat leraren hun aandacht minder versnipperen over allerlei neventaken. De rijksoverheid moet zich ‘terughoudend opstellen bij het formuleren van andere opdrachten voor het basisonderwijs’.
‘Het is niet zo dat scholen te weinig lesgeven in rekenen en taal’, zegt Dijksma. ‘Maar juist vanuit de scholen klonk de laatste tijd de roep om hen weer meer de ruimte te geven hun basisvaardigheden goed te onderwijzen.’
De laatste decennia kreeg vooral het basisonderwijs te maken met steeds meer verantwoordelijkheden die buiten het zogenoemde primaire proces (onderwijs in rekenen, taal en wereldoriëntatie) liggen: aandacht voor voeding, verkeer, burgerschap en cultuur zijn gebruikelijk geworden op de basisschool.
‘Scholen nemen graag de verantwoordelijkheid voor allerlei maatschappelijke taken’, zegt voorzitter Marianne Luyer van de Besturenraad, een grote organisatie van confessionele scholen. ‘Maar geld en menskracht worden daar meestal niet bij geleverd.’